Steunende interventies
Steunende en structurerende interventies
Bibliotherapie/psychoeducatie (eventueel groepsgewijs)
- Wanneer mensen zich bij de hulpverlening aanmelden met een depressie.
- Ondersteunen door een lichte vorm van - al dan niet groepsgewijze - begeleiding.
- Andere behandelvorm overwegen als na 6 weken geen of onvoldoende effect is gebleken.
Niet
- Wanneer eerder bibliotherapie / psycho-educatie met onvoldoende resultaat.
- Bij patiënten die niet speciaal gemotiveerd of te motiveren zijn voor bibliotherapie/psychoeducatie.
Problem Solving Therapy (PST)
Een inhoudelijk tot in detail uitgewerkt gespreksmodel dat oplossingsvaardigheden van patiënten met een depressie vergroot.
- Werkzaamheid is aangetoond.
- De effectiviteit is voor de Nederlandse eerste lijn veelbelovend.
- Goed in een stepped care model te combineren met andere vormen van behandeling.
Counseling/casework
- Kan een variatie aan gespreksmethoden inhouden.- Vooral van belang door hoge cliëntwaardering.
Supportgroep
- Van en met elkaar leren
- Delen van emoties met lotgenoten - Kan aansluiten bij door patiënten gevoelde behoefte.
Maatschappelijk werkinterventies
In eerste lijn interventies op zich; in tweede lijn in samenhang met andere disciplines.
- Diagnostiek gericht op verschillende leefgebieden.
- Interventies - Psycho-educatie - Ondersteunend groepswerk - Emotionele ondersteuning en begeleiding - Praktische ondersteuning en begeleiding - Netwerkondersteuning - Veranderingsgericht begeleiding - Sociale diagnostiek - Informatie en advisering - Zorgcoördinatie
Vaktherapieën
Vaktherapieën (psychomotorische therapie en creatieve therapie) worden vaak ingezet ter behandeling van depressie, vooral in de klinische setting.
Werkzaamheid aangetoond van:Running therapie en lichamelijke inspanning
Minder aangetoond maar waarschijnlijk wel van belang: Onder meer activering, structurering en satisfactie: het plezier in de activiteit. Door deze ervaringen kan ook de cognitie veranderen.
Onderscheid tussen vaktherapieën onderling niet duidelijk, voorkeur patiënt is bepalend.
Verpleegkundige interventies
- Verpleegkundigen dienen de verpleegkundige interventie toe te passen behorend bij het desbetreffende verpleegprobleem. Verpleegkundigen die zorg dragen voor patiënten met een depressieve of dysthyme stoornis, in alle settings, dienen te toetsen of in ieder geval één van de beschreven veertien verpleegproblemen zich voor doet.
- Het wordt van belang geacht dat verpleegkundigen aandacht hebben voor het functioneren van het sociaal netwerk van de patiënt. Het sociale netwerk van de patiënt (de gezinscoping) dient mee genomen te worden in de probleemdefinitie en de interventies. In overleg met de patiënt zal de directe omgeving altijd bij de behandeling c.q. zorgverlening betrokken dienen te worden. Zowel om voorlichting te geven over het ziektebeeld en zonodig ondersteuning te bieden aan de mantelzorgers, maar ook om sociale contacten te kunnen blijven onderhouden (voorkomen van sociaal isolement).
- Tijdens de begeleiding van patiënten en hun familieleden dienen verpleegkundigen informatie te geven over en te verwijzen naar contacten met lotgenoten.
- Voor het inschatten van suïcidaliteit bij patiënten en de begeleiding van deze patiënten verwijst de subgroep naar de richtlijn verpleegkundige zorg bij de suïcidale patiënt van het CBO (1998).
Cliëntenperspectief
Voor patiënten kan lotgenotencontact een belangrijke steun betekenen.



