Langdurige kwetsbaarheid
Verhoogd suïciderisico is bekend bij depressieve stoornissen, angststoornissen, schizofrenie, eetstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en afhankelijkheid van middelen. Psychiatrische aandoeningen behoren tot de langdurige kwetsbaarheidfactoren, ongeacht het huidige toestandsbeeld. Bij elk van de bovengenoemde diagnosen geven suïcidale communicatie en eerder zelfdestructief gedrag of suïcidepogingen, een hoge mate van hopeloosheid en wanhoop, impulsiviteit, hevige angst of paniekaanvallen, en recent alcoholmisbruik een verhoogd risico. Bij co-morbiditeit is het risico aanmerkelijk verhoogd.
Bij depressie is er een acuut risico bij hevige angstverschijnselen, paniekaanvallen, en hevig piekeren. Risico op de iets langere termijn is geassocieerd met eerdere suïcidepogingen met een sterke doodsintentie of met gewelddadige methoden, ernst van de aandoening, ernstiger en langduriger gevoelens van hopeloosheid/wanhoop, ernstiger en langduriger verlies van concentratie, besluiteloosheid, slapeloosheid, anhedonie, meer traumatische ervaringen, meer alcohol/drugmisbruik en bij psychotische verschijnselen.
Bij jonge patiënten is het suïciderisico verhoogd in de eerste fasen van de ziekte.
Bij de angststoornissen is aangetoond dat de combinatie van angst- en stemmingsstoornissen een verhoogd risico op suïcide geeft. Het risico op suïcide onder patiënten met angststoornissen is vermoedelijk tussen de 6 en 10 maal groter dan in de gewone bevolking.
Bij schizofrenie is het suïciderisico ongeveer 8.5 maal hoger dan in de gewone bevolking. De life-time risk wordt geschat op 4%. Bij patiënten met schizofrenie is het risico verhoogd bij comorbide depressie, eerdere depressieve episoden, eerdere suïcidepogingen, afhankelijkheid van middelen, hopeloosheid en wanhoop, eenzaamheid, onvrede over sociale relaties en bij ingrijpende levensgebeurtenissen. Ook geldt dat bij periodieke en ernstige terugval en wanneer er bij eerste opname sprake was van een ongunstige prognose, het suïciderisico is verhoogd. De periode na ontslag uit een kliniek is een bekende hoge risicoperiode voor schizofrene patiënten. Mannen, en vooral jonge mannen hebben een hoger risico op suïcide. Ook intelligente patiënten hebben een hoger suïciderisico, vermoedelijk omdat zij beter begrijpen welke gevolgen hun ziekte in de toekomst voor hen zal hebben. Bevelshallucinaties kunnen een enkele keer voorafgaan aan suïcide, maar over het algemeen geldt dit maar voor een klein percentage van de gevallen. Suïcide treedt juist eerder op in relatief rustige perioden, of perioden van vooruitgang, of in depressieve episoden.
Bij afhankelijkheid van alcohol en drugs is het suïciderisico zo’n 6 maal groter dan in de gewone bevolking. De life-time risk wordt geschat op 3-4%. Onder alcoholisten is het risico groter bij comorbide stoornissen, vooral depressie, en bij (dreigend) interpersoonlijk verlies. Suïcidale communicatie is een risicofactor, evenals eerdere suïcidepogingen. Vooral op latere leeftijd en bij langduriger alcoholverslaving lijkt het risico toe te nemen. Bij drugsmisbruik zijn het vooral jongere patiënten die suïcide plegen.
Bij persoonlijkheidsstoornissen is het suïciderisico ongeveer 7 maal hoger dan in de gewone populatie. Het gaat vooral om de borderlinepersoonlijkheidsstoornis en de antisociale persoonlijkheidsstoornis. Het risico op suïcide lijkt verhoogd bij werkloosheid, financiële problemen, conflicten in de familie, verlies van andere belangrijke personen, en bij impulsiviteit. Wanneer patiënten met persoonlijkheidsstoornissen suïcide plegen, is er vaak sprake van comorbide depressie en/of verslaving. Narcistische krenkingen kunnen een luxerende factor vormen.
Bij eetstoornissen, met name bij anorexia nervosa, bestaat een verhoogd risico op suïcide, vooral wanneer er sprake is van bijkomend zelfdestructief gedrag en/of depressie.
Bij lichamelijke ziekten kan er sprake zijn van een verhoogd risico op suïcide, maar dan vooral wanneer deze ziekten leiden tot of samengaan met psychiatrische aandoeningen, zoals depressie, of psychologische reacties zoals hopeloosheid. Bij veel functionele beperkingen, verminking, pijn en afhankelijkheid kan het risico op suïcide verhoogd zijn. Verhoogd suïciderisico is gedocumenteerd bij HIV/AIDS, epilepsie, hersenbeschadiging en beschadigingen van het ruggenmerg, de ziekte van Huntington en bij kanker.
Bij hopeloosheid is het suïciderisico verhoogd. Hopeloosheid kan worden beschouwd als de brug tussen depressie en suïcide. De neiging om met hopeloosheid te reageren op teleurstellende levensgebeurtenissen is vaak een langdurige karaktertrek.
Impulsiviteit, agressie, en automutilatie kunnen indicaties zijn van een verhoogd suïciderisico bij alle diagnostische categorieën, in het bijzonder bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis.
In detentiesituaties zijn een aantal langdurige en acute kwetsbaarheidfactoren in onderlinge samenhang indicatief voor een hoog suïciderisico: oudere leeftijd (40+), geweldsdelicten, hoge strafoplegging of strafdreiging, preventieve hechtenis, verslaving en andere psychiatrische diagnosen c.q. hulpverleningsgeschiedenis, eerdere suïcidepogingen en suïcidale communicatie tijdens detentie. Herhaalde gevangenisstraf gaat vaak samen met persoonlijkheidsstoornissen en verslaving, een kwetsbare combinatie voor emotionele disregulatie en suïcidaliteit.
Persoonlijkheidsdimensies die samenhangen met suïcidaliteit zijn neuroticisme en hieraan verwante karaktertrekken, zoals overmatig perfectionisme, dichotoom denken, het stellen van hoge eisen aan zichzelf, overmatig piekeren/rumineren, kwetsbaarheid voor narcistische krenkingen, een laag zelfbeeld, en hopeloosheid/hulpeloosheid.
Sommige mensen kunnen minder goed met hun emoties omgaan. Van belang is daarom om na te gaan hoe de persoon eerder in stressvolle situaties reageerde. Mensen die onverantwoorde risico’s nemen, gokken of zichzelf verwaarlozen kunnen een risico op suïcide met zich meedragen. Mensen die geïsoleerd leven zonder hechte familierelaties, al dan niet als uitvloeisel van een conflictueus karakter, kunnen een verhoogd risico op suïcide hebben.
Slachtoffers van langdurig huiselijk geweld door de partner kunnen een verhoogd risico hebben. Ook kan een langdurige kwetsbaarheid voor suïcide vermoed worden bij mensen die in hun vroege jeugd te maken hebben gehad met emotionele verwaarlozing, scheiding van moederfiguren, huiselijk geweld, seksueel geweld of incest.
Vanwege een erfelijke aanleg kan het suïciderisico verhoogd zijn. Suïcides in de familie kunnen een indicatie geven van een kwetsbaarheid voor suïcide.



