Diagnostiek stemmingsstoornis door een middel
A. Een opvallende en aanhoudende stoornis van de stemming staat op de voorgrond van het beeld en wordt gekarakteriseerd door één (of beide) van de volgende:
- depressieve stemming of duidelijk verminderde belangstelling of plezier voor alle of bijna alle activiteiten
- verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming
B. Er zijn aanwijzingen vanuit anamnese, lichamelijk onderzoek of laboratioriumuitslagen van ofwel (1) of (2):
- de symptomen van A ontstonden tijdens, of binnen een maand na, een intoxicatie of onthouding van een middel
- het gebruik van een geneesmiddel heeft een oorzakelijk verband met de stoornis
C. De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan een stemmingsstoornis die niet is veroorzaakt door een middel. Tot de aanwijzingen dat de symptomen eerder zijn toe te schrijven aan een stemmingsstoornis die niet is veroorzaakt door een middel kunnen de volgende gerekend worden: de symptomen gaan vooraf aan het begin van het gebruik van het (genees)middel; de symptomen bleven een substantiële periode aanwezig (bijvoorbeeld ongeveer een maand) na het einde van de acute onthouding of ernstige intoxicatie of zijn aanzienlijk ernstiger dan wat men zou kunnen verwachten op basis van de aard of hoeveelheden van het gebruikte middel of de duur van het gebruik; of er zijn andere aanwijzingen die het bestaan van een onafhankelijke, niet door een middel teweeggebrachte stemmingsstoornis aannemelijk maken (bijvoorbeeld een voorgeschiedenis met recidiverende depressieve episodes).
D. De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van een delirium.
E. De symptomen veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
N.B.: Deze diagnose mag alleen in plaats van een diagnose ‘intoxicatie of onthouding van een middel’ gesteld worden als de stemmingssymptomen ernstiger zijn dan die welke meestal samengaan met een intoxicatie- of onthoudingssyndroom en als de symptomen voldoende ernstig zijn om afzonderlijke zorg te rechtvaardigen.



