Diagnostiek specifieke fobie
Diagnose volgens DSM-IV-TR:
A Duidelijke en aanhoudende angst die overdreven of onterecht is, uitgelokt door de aanwezigheid van of het anticiperen op een specifiek voorwerp of situatie (bijvoorbeeld vliegen, hoogten, dieren, een injectie krijgen, bloed zien).
B Blootstelling aan de fobische prikkel veroorzaakt bijna zonder uitzondering een onmiddellijke angstreactie, die de vorm kan krijgen van een situatiegebonden of situationeel gepredisponeerde paniekaanval.
C Betrokkene is zich ervan bewust dat de angst overdreven of onterecht is.
D De fobische situaties(s) wordt vermeden of anders doorstaan met intense angst of lijden.
E De vermijding, de angstige verwachting of het lijden in de gevreesde situatie belemmeren in significante mate de normale routine, het beroepsmatig functioneren (of de studie of school), of sociale activiteiten of relaties met anderen, of er is een duidelijk lijden door het hebben van de fobie.
F Bij personen onder de achttien jaar is de duur ten minste zes maanden.
G De angst, de paniekaanvallen of fobische vermijding die samengaat met een specifiek voorwerp of situatie kan niet volledig verklaard worden door een andere psychische stoornis zoals obsessief-compulsieve stoornis (bijvoorbeeld vrees voor vuil bij iemand met smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijvoorbeeld vermijden van prikkels die samengaan met de stressfactor), separatieangststoornis (bijvoorbeeld vermijden van school), sociale fobie (bijvoorbeeld vermijden van gezelschap in verband met de angst in verlegenheid gebracht te worden), paniekstoornis met agorafobie, of agorafobie zonder paniekstoornis in de voorgeschiedenis.
‘Bron': Multidisciplinaire richtlijn angststoornissen, 2003
Bij een specifieke fobie (ook wel enkelvoudige fobie genoemd) is er sprake van een aanhoudende en irrationele angst voor een bepaald object of voor een bepaalde situatie. Deze objecten en situaties hebben veelal betrekking op angst voor dieren, afgesloten ruimten, hoogten, onweer en bloed en/of medische handelingen. Blootstelling aan de angstverwekkende prikkel resulteert meestal in een verhoogde lichamelijke arousal. Bij de bloedfobie daarentegen treedt na een kortdurende verhoging van de arousal een duidelijke verlaging van hartslag en bloeddruk op en kan de persoon in kwestie flauw vallen. Veelal kunnen de angstverwekkende situaties worden vermeden.
De jaar-prevalentie van een specifieke fobie bedraagt ongeveer 9 procent. De meest voorkomende enkelvoudige fobie is de fobie voor dieren. Bij degenen die ook in hun volwassenheid last blijven houden van een dierfobie, zijn vrouwen in de meerderheid.
Over het algemeen leidt een enkelvoudige fobie niet tot ernstige beperkingen of participatieproblemen. Soms kunnen gezien de aard van de enkelvoudige fobie wel beperkingen (bijvoorbeeld een slechte zelfverzorging ten gevolge van een fobie voor ziekte/letsel/bloed) of participatieproblemen op het werk optreden (bijvoorbeeld een fobie voor vliegen bij personen die
‘Bron': diagnostische criteria: Beknopte handleiding bij de diagnostische criteria van de DSM-IV-TR, APA, 2001, NVvP/Swets & Zeitlinger



