Diagnostiek PS met of zonder agorafobie
In de DSM-IV-TR worden onderscheiden:
1. Paniekstoornis zonder agorafobie
2. Paniekstoornis met agorafobie
3. Agorafobie zonder paniekstoornis in de voorgeschiedenis
Alvorens de criteria voor deze drie stoornissen te noemen volgen eerst de criteria voor een paniekaanval en voor agorafobie. Deze kunnen niet als aparte entiteiten in de DSM-IV-TR worden gediagnosticeerd, maar zijn bedoeld als toelichting op de criteria van de drie genoemde stoornissen.
Paniekaanval
Een begrensde periode van intense angst of gevoel van onbehagen, waarbij vier (of meer) van de volgende symptomen plotseling ontstaan en die binnen tien minuten een maximum bereiken:
-hartkloppingen, bonzend hart of versnelde hartactie
-transpireren
-trillen of beven
-gevoel van ademnood of verstikking
-naar adem snakken
-pijn of onaangenaam gevoel op de borst
-misselijkheid of buikklachten
-gevoel van duizeligheid, onvastheid, licht in het hoofd of flauwte
-derealisatie (gevoel van onwerkelijkheid) of depersonalisatie (gevoel los van zichzelf te staan)
-angst de zelfbeheersing te verliezen of gek te worden
-angst dood te gaan
-parestesieen (verdoofde of tintelende gevoelens)
-opvliegers of koude rillingen
Agorafobie
A. Angst op een plaats of in een situatie te zijn van waaruit ontsnappen moeilijk (of gênant) kan zijn of waar geen hulp beschikbaar zou kunnen zijn in geval dat men een onverwachte of situationeel gepredisponeerde paniekaanval of paniekachtige verschijnselen krijgt. Tot de agorafobische angstgevoelens horen de karakteristieke situaties zoals alleen buitenshuis zijn, zich te midden van een massa bevinden of in een rij wachten, op een brug staan, en reizen met een bus, trein of auto.
B. De situaties worden vermeden (bijvoorbeeld reizen is beperkt) of worden alleen doorstaan met duidelijk lijden of de angst een paniekaanval of paniekachtige symptomen te krijgen, of de aanwezigheid van een begeleider is noodzakelijk.
C. De angst of fobische vermijding is niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis, zoals sociale fobie (bijvoorbeeld vermijding beperkt tot sociale situaties uit angst in verlegenheid te raken), specifieke fobie (bijvoorbeeld vermijding is beperkt tot een enkele situatie zoals bijvoorbeeld liften), obsessieve-compulsieve stoornis (bijvoorbeeld vermijding van vuil bij iemand met een smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijvoorbeeld vermijding van prikkels die samenhangen met een ernstige stressfactor) of separatie-angststoornis (bijvoorbeeld vermijding om huis of verwanten te verlaten)
1). Paniekstoornis zonder agorafobie
A. Zowel 1) als 2)
Recidiverende onverwachte paniekaanvallen.
Na tenminste één van de aanvallen was er één maand (of langer) met één (of meer) van de volgende:
- voortdurende ongerustheid over het krijgen van een volgende aanval
- bezorgdheid over deze verwikkelingen of consequenties van de aanval (bijvoorbeeld het verliezen van de zelfbeheersing, een hartaanval krijgen, ‘gek worden’)
- een belangrijke gedragsverandering in samenhang met de aanvallen
B. Afwezigheid van agorafobie.
C. De paniekaanvallen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld hyperthyreoïdie).
D. De paniekaanvallen zijn niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis, zoals sociale fobie (bijvoorbeeld voorkomend bij blootstelling aan gevreesde sociale situaties), specifieke fobie (bijvoorbeeld bij blootstelling aan een specifieke fobische situatie), obsessief-compulsieve stoornis (bijvoorbeeld bij blootstelling aan vuil bij iemand met smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijvoorbeeld in reactie op prikkels die samenhangen met een ernstige stressfactor) of separatieangststoornis (bijvoorbeeld vermijding om huis of verwanten te verlaten).
2). Paniekstoornis met agorafobie
A. Zowel (1) en (2)
Recidiverende onverwachte paniekaanvallen
Na tenminste één van de aanvallen was er één maand (of langer) van een (of meer) van de volgende:
- voortdurende ongerustheid over het krijgen van een volgende aanval
- bezorgdheid over de verwikkelingen of de consequenties van de aanval (bijvoorbeeld het verliezen van de zelfbeheersing, een hartaanval krijgen, ‘gek worden’)
- een belangrijke gedragsverandering in samenhang met de aanvallen
B. Aanwezigheid van agorafobie.
C. De paniekaanvallen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld hyperthyreoïdie).
D. De paniekaanvallen zijn niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis, zoals sociale fobie (bijvoorbeeld voorkomend bij blootstelling aan gevreesde sociale situaties), specifieke fobie (bijvoorbeeld bij blootstelling aan een specifieke fobische situatie), obsessief-compulsieve stoornis (bijvoorbeeld bij blootstelling aan vuil bij iemand met smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijvoorbeeld in reactie op prikkels die samenhangen met een ernstige stressfactor) of separatieangststoornis (bijvoorbeeld vermijding om huis of verwanten te verlaten).
3). Agorafobie zonder paniekstoornis in de voorgeschiedenis
A. De aanwezigheid van agorafobie in samenhang met de angst dat er paniekachtige symptomen zullen ontstaan (bijvoorbeeld duizelingen of diarree)
B. Er is nooit voldaan aan de criteria van paniekstoornis
C. De paniekaanvallen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (bijvoorbeel hyperthyreoidie).
D. Indien er sprake is van een bijkomende somatische aandoening is de angst zoals beschreven in criterium A duidelijk ernstiger dan wat gewoonlijk samengaat met deze aandoening.
‘Bron': Multidisciplinaire richtlijn angststoornissen, 2003
Diagnostische criteria van de DSM-IV-TR, APA, 2001
Van een paniekaanval is sprake als de angst intens is, plotseling begint en tenminste 4 van 13 in de DSM-IV genoemde symptomen binnen 10 minuten tot een piek komen. Het betreft symptomen, zoals een kloppend of bonzend hart, of versnelde hartslag, zweten, trillen of beven, gevoelens van ademnood, het gevoel te stikken, etc. Het voorkomen van paniekaanvallen betekent niet dat er eveneens sprake is van een paniekstoornis. Bij een paniekstoornis zijn de aanvallen niet voorspeld en niet gebonden aan een situatie en zijn patiënten tussen de aanvallen door vaak gespannen en bang voor nieuwe aanvallen. Het komt vaak voor dat patiënten tevens een angst voor publieke gelegenheden ontwikkelen, zoals warenhuizen, treinen, restaurants en bioscopen, waar men bij het optreden van een paniekaanval moeilijk kan ontsnappen of hulp kan krijgen. Er wordt gesproken van paniekstoornis met agorafobie wanneer spontane paniekaanvallen gepaard gaan met situatieve angst en vermijding van dergelijke publieke gelegenheden.
De paniekstoornis met of zonder agorafobie komt vrij regelmatig voor. Afhankelijk van hoe strikt de criteria zijn, die gehanteerd worden, lijdt 1 tot 5 procent van de bevolking aan een paniekstoornis. Bij mensen die vanwege een angststoornis een beroep doen op de ambulante geestelijke gezondheidszorg voldoet 50 tot 60 procent aan de diagnostische criteria voor paniekstoornis met agorafobie. De diagnose paniekstoornis zonder agorafobie wordt ongeveer twee keer zo vaak bij vrouwen gesteld als bij mannen, de diagnose paniekstoornis met agorafobie zelfs drie tot vier keer zo vaak.
In termen van de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) van de World Health Organization (WHO) leidt PS zeker in combinatie met agorafobie vaak tot beperkingen met betrekking tot zelfverzorging en het huishouden, alsmede participatieproblemen doordat het beroepsmatig en sociaal functioneren ernstig kan worden aangetast.
‘Bron': diagnostische criteria: Beknopte handleiding bij de diagnostische criteria van de DSM-IV-TR, APA, 2001, NVvP/Swets & Zeitlinger



