Diagnostiek posttraumatische stressstoornis
Diagnose volgens DSM-IV-TR:
A De betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij beide van de volgende van toepassing zijn:
1. betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest of werd geconfronteerd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebracht, of die een bedreiging vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene of anderen
2. tot de reacties van betrokkene behoorde intense angst, hulpeloosheid of afschuw.
B De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op een (of meer) van de volgende manieren:
1. Recidiverende en zich opdringende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis, met inbegrip van voorstellingen, gedachten of waarnemingen.
2. Recidiverend akelig dromen over de gebeurtenis.
3. Handelen of voelen alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw plaatsvindt (hiertoe behoren het gevoel van het opnieuw te beleven, illusies, hallucinaties en dissociatieve episodes met flashback, met inbegrip van die welke voorkomen bij het ontwaken of tijdens intoxicatie).
4. Intens psychisch lijden bij blootstellen aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken.
5. Fysiologische reacties bij blootstellen aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken.
C Aanhoudend vermijden van prikkels die bij het trauma horen of afstomping van de algemene reactiviteit (niet aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende:
1. Pogingen gedachten, gevoelens of gesprekken horend bij het trauma te vermijden.
2. Pogingen activiteiten, plaatsen of mensen die herinneringen oproepen aan het trauma te vermijden.
3. Onvermogen zich een belangrijk aspect van het trauma te herinneren.
4. Duidelijk verminderde belangstelling voor of deelneming aan belangrijke activiteiten.
5. Gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen.
6. Beperkt uiten van affect (bijvoorbeeld niet in staat gevoelens van liefde te hebben).
7. Gevoel een beperkte toekomst te hebben (bijvoorbeeld verwacht geen carrière te zullen maken, geen huwelijk, geen kinderen, of geen normale levensverwachting).
D Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid (niet aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende:
1. Moeite met inslapen of doorslapen.
2. Prikkelbaarheid of woedeuitbarstingen.
3. Moeite met concentreren.
4. Overmatige waakzaamheid.
5. Overdreven schrikreacties.
E Duur van de stoornis (symptomen in B, C en D) langer dan één maand
F De stoornis veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
Specificeer indien:
Acuut: indien duur van de symptomen korter dan drie maanden is
Chronisch: indien duur van de symptomen drie maanden of langer is
Met verlaat begin: indien het begin van de symptomen ten minste zes maanden na het trauma ligt
‘Bron': Multidisciplinaire richtlijn angststoornissen, 2003
Bij een posttraumatische stressstoornis wordt gesproken over de gevolgen van een ingrijpende gebeurtenis, waarin betrokkene met de dood of ernstig letsel is bedreigd of de lichamelijke integriteit is bedreigd. Het betreft situaties als: bankovervallen met geweld, de confrontatie met iemand die ernstig gewond is of gedood, verkrachtingen, overstromingen, etc. Bij PTSS moet er sprake zijn van herbelevingen bijvoorbeeld in de vorm van terugkerende, beangstigende dromen of herinneringen met betrekking tot het trauma. Hiernaast komt eveneens vermijding van stimuli voor die in verband staan met het trauma of een verdoving van de algemene responsiviteit. Ten slotte zijn er langdurige symptomen van toegenomen spanning of opwinding, die niet aanwezig waren voor het trauma (zoals prikkelbaarheid of woede-uitbarstingen, overdreven schrikreacties, zich moeilijk kunnen concentreren).
Hoeveel mensen in de open bevolking aan PTSS lijden is niet precies bekend. De meeste cijfers hebben betrekking op personen die een beroep hebben gedaan op de hulpverlening. In een van de weinige bevolkingstudies in de VS bleek PTSS bij 1 procent aanwezig. Van de burgers die slachtoffer waren van fysiek geweld leed 4 à 5 procent aan PTSS. Van Vietnam veteranen die verwondingen hadden opgelopen leed 20 procent aan PTSS.
Interpersoonlijke beperkingen (bijvoorbeeld wantrouwen naar anderen of sociaal isolement) en problemen in de beroepssfeer komen relatief het meest frequent voor. Problemen in de beroepssfeer zijn vooral te verwachten als blootstelling aan het trauma in het kader van het werk plaatsvond (wat niet zelden het geval is).
‘Bron': diagnostische criteria: Beknopte handleiding bij de diagnostische criteria van de DSM-IV-TR, APA, 2001, NVvP/Swets & Zeitlinger



