Diagnostiek in de 1e lijn

Mensen met een angststoornis zijn in het algemeen terughoudend in het etaleren van hun angst. Veel mensen schamen zich voor hun angst. Vooral in niet-psychiatrische settingen, zoals bijvoorbeeld de huisartsenpraktijk, is het daardoor lastig angststoornissen op het spoor te komen. Patiënten met angststoornissen presenteren zich vaak met andere klachten of problemen. Mensen met een angststoornis zijn meester in maskeren en hebben vaak een façade van diverse lichamelijke klachten. Hulpverleners zullen dus vaak moeite moeten doen om de vraag van de cliënt boven tafel te krijgen omdat de cliënt er zelf niet mee komt. Men dient bij de volgende signalen aan een mogelijke angststoornis te denken:
-toename van het ziekteverzuim;
-frequent bezoek van huisarts of specialist voor wisselende en onderling niet samenhangende lichamelijke klachten;
-aanhoudende aspecifieke ‘stress’-klachten zoals gespannenheid, prikkelbaarheid, labiliteit, concentratieproblemen, lusteloosheid of slaapproblemen;
-'hyperventilatie'-klachten;
-aanhoudende functionele lichamelijke klachten waarbij de patiënt niet of slechts kortdurend gerustgesteld kan worden; vooral onbegrepen duizeligheid en hartkloppingen moeten aan een angststoornis doen denken;
-verzoek om slaapmiddelen of kalmerende middelen;
-alcohol- of drugsproblemen;
-depressie;
-een traumatische gebeurtenis in de voorgeschiedenis;
-opvallende veranderingen in het functioneren door verminderde professionaliteit of door vermijdingsgedrag.

Bij deze signalen, kan meer zekerheid worden verkregen door te vragen naar buitensporige angst. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de volgende vragen:
-voelt u zich angstig?
-heeft u onbestemde angstgevoelens?
-maakt u zich veel zorgen?
-vindt u de angsten of bezorgdheden reëel; kunt u ze begrijpen?
-belemmeren deze gevoelens u in het dagelijks functioneren thuis, op het werk of in uw vrije tijd?

Bij verdenking op een angststoornis, kan worden doorgevraagd naar de volgende aspecten:
-de duur en het beloop van de klachten (continu of aanvallen)
-de duur en frequentie van eventuele aanvallen
-de ernst van de klachten, de mate van subjectief lijden
-begeleidende symptomen: hartkloppingen, transpireren, trillen, benauwdheid, pijnklachten, maagklachten, tintelingen, dove gevoelens, warmte- of koude-sensaties, derealisatie- of depersonalisatie-gevoelens, rusteloosheid, snel vermoeid zijn, concentratieproblemen, prikkelbaarheid, slaapproblemen
-het focus van de angst: controleverlies, krankzinnig worden of doodgaan (paniekstoornis), hulpeloosheid in geval van onwel worden (agorafobie), specifieke objecten of situaties (specifieke fobie), negatieve beoordeling door anderen (sociale fobie), alle mogelijke narigheid die het leven kan vergezellen (gegeneraliseerde angststoornis), herbelevingen van een traumatische gebeurtenis (PTSS) een ernstige lichamelijke ziekte (hypochondrie) of dwanggedachten of -handelingen (obsessief-compulsieve stoornis)
-de invloed van de klachten op het sociale functioneren, zoals het vermijden van bepaalde situaties of activiteiten.

Hulp wordt vooral gevraagd wanneer de angststoornis ernstig interfereert met het functioneren van de betrokkene op belangrijke levensgebieden als werk, relatie en sociale contacten. De hulpvraag ontstaat meestal als de tot dusver gehanteerde copingstrategieën tekort blijken te schieten. De hulpvraag kan afkomstig zijn van de betrokkene zelf maar ook van diens systeem. Het functioneren van mensen met angststoornissen is vaak belastend voor hun systeem dat als geheel sterk kan worden beperkt in het normale functioneren of sterk compenserend moet optreden. De behandelaar dient cliënten serieus te nemen en ze voldoende tijd te geven om hun verhaal te vertellen. De behandelaar moet kijken naar de samenhang tussen psychische en lichamelijke klachten. De behandelaar moet zich realiseren dat cliënten vaak erg lang met klachten rondlopen en hier sterk onder lijden. Een angststoornis kan zwaar wegen in het leven van een cliënt. Vaak is er ook sprake van lichamelijke klachten.

Psychische klachten grijpen vaak sterk in het dagelijkse leven in en kunnen het zelfvertrouwen van cliënten sterk ondermijnen. Door onbegrip en schaamte over de klachten durven cliënten zich vaak niet te uiten. Hulpverleners kunnen cliënten ondersteunen door aandacht te schenken aan de individuele beleving van de problemen, begrip te tonen voor de ervaren lijdensdruk en door de onzekerheid over de juistheid van de hulpvraag weg te nemen. Tijdens de diagnostische fase is het belangrijk dat cliënten hun eigen verhaal kunnen vertellen en er niet uitsluitend naar klachten en symptomen wordt gekeken. Ook is het van belang na te vragen of de cliënt extreme dorst heeft (i.v.m. mogelijke suikerziekte) en/of buiten adem is juist bij traplopen en/of fietsen (i.v.m. hartfalen). De gevolgen van de angststoornis dient voor meerdere levensgebieden, zoals werk en relatie, te worden besproken. Voorts dienen de cliënten de mogelijkheid te hebben om de diagnose te toetsen, bijvoorbeeld via een second opinion, door contact met lotgenotenorganisaties of door voorlichting over de stoornis. Wanneer het moeilijk blijft om de kans op een angststoornis in te schatten, kan gebruik worden gemaakt van vragenlijsten.

Onze partners Nederlandse Studie naar Depressie en AngstNedKAD Silhouet