Diagnostiek gegeneraliseerde angststoornis
Diagnose volgens DSM-IV-TR:
A
Buitensporige angst en bezorgdheid (bange voorgevoelens), gedurende zes maanden vaker wel dan niet voorkomend, over een aantal gebeurtenissen of activiteiten (zoals werk of schoolprestaties).
Betrokkene vindt het moeilijk de bezorgdheid in de hand te houden.
De angst en bezorgdheid gaan samen met drie (of meer) van de volgende zes verschijnselen (waarvan tenminste enkele verschijnselen in de laatste zes maanden vaker wel dan niet aanwezig).
1. rusteloosheid, opgewonden of geïrriteerd zijn
2. snel vermoeid zijn
3. zich moeilijk kunnen concentreren of zich niets herinneren
4. prikkelbaarheid
5. spierspanning
6. slaapstoornis (moeilijkheden in slaap te vallen of door te slapen, of rusteloze niet verkwikkende slaap)
D
Het onderwerp van de angst en bezorgdheid is niet beperkt tot de kenmerken van een andere As I stoornis, bijvoorbeeld de angst of bezorgdheid gaat niet over het hebben van een paniekaanval (zoals bij een ‘paniekstoornis’), het in gezelschap voor schut staan (zoals bij een sociale fobie), het besmet worden (zoals bij de ‘obsessief-compulsieve stoornis’), het van huis of naaste familie weg zijn (zoals bij de separatie-angststoornis), het in gewicht toenemen (zoals bij anorexia nervosa), het hebben van veel verschillende lichamelijke klachten (zoals bij somatisatiestoornis) of een ernstige ziekte hebben (zoals bij de hypochondrie) en de angst en bezorgdheid komen niet uitsluitend voor tijdens een posttraumatische stressstoornis.
De angst, bezorgdheid of de lichamelijke klachten veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
F
De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld hyperthyreoïdie), en komt niet uitsluitend voor tijdens een stemmingsstoornis, psychotische stoornis of een pervasieve ontwikkelingsstoornis.
‘Bron': Multidisciplinaire richtlijn angststoornissen, 2003
Patiënten met een gegeneraliseerde angststoornis zijn altijd nerveus en gespannen en tobben over allerlei kleine, dagelijkse gebeurtenissen. Dagen met klachten zijn in de meerderheid en de patiënt heeft moeite de tobberijen onder controle te houden. Verder heeft de patiënt last van klachten, zoals concentratieproblemen, spierspanningsklachten, slaapstoornissen, snelle vermoeibaarheid, etc.
De jaarprevalentie van GAS zou ongeveer 3 procent bedragen. GAS wordt vaker bij vrouwen dan bij mannen gediagnosticeerd.
In termen van de ICF komen interpersoonlijke beperkingen bij de gegeneraliseerde angststoornis relatief het meest frequent voor.
‘Bron': diagnostische criteria: Beknopte handleiding bij de diagnostische criteria van de DSM-IV-TR, APA, 2001, NVvP/Swets & Zeitlinger



