Diagnostiek depressieve stoornis recidiverend
A. De aanwezigheid van twee of meer depressieve episodes.
N.B.: om als afzonderlijke episodes gezien te worden moet er een interval zijn van ten minste twee aaneengesloten maanden waarin niet aan de criteria voor een ‘depressieve episode’ is voldaan.
B. De depressieve episodes zijn niet eerder toe te schrijven aan een ‘schizoaffectieve stoornis’, en zijn niet gesuperponeerd op ‘schizofrenie, ‘schizofreniforme stoornis’, ‘waanstoornis’ of ‘psychotische stoornis NAO’.
C. Er is nooit een manische episode, een gemengde episode of een hypomane episode geweest. N.B.: Deze uitsluiting kan niet worden gebruikt als alle manische, gemengde of hypomane episodes zijn veroorzaakt door middelen of behandeling of het gevolg zijn van de directe fysiologische effecten van een somatische aandoening.



