Diagnostiek bipolaire I stoornis
Er zijn zes afzonderlijke groepen criteria voor de Bipolaire I stoornis:
- eenmalige manische episode,
- laatste episode hypomaan,
- laatste episode manisch,
- laatste episode gemengd,
- laatste episode depressief en
- laatste episode niet-gespecificeerd.
Bipolaire I stoornis, eenmalige manische episode wordt gebruikt om personen te beschrijven die voor het eerst een manische episode hebben. De overblijvende criteria worden gebruikt om de aard van de huidige (of laatste) episode te specificeren bij personen die recidiverende stemmingsepisodes hebben gehad.
1. Bipolaire I stoornis, eenmalige manische episode
A. Aanwezigheid van slechts één manische episode en geen eerdere depressieve episodes.
N.B.: Recidief wordt gedefinieerd als er ofwel sprake is van een verandering in de polariteit vanuit een depressie ofwel van een interval van ten minste twee maanden zonder manische symptomen.
B. De manische episode is niet eerder toe te schrijven aan een ‘schizoaffectieve stoornis’ en is niet gesuperponeerd op ‘schizofrenie’, ‘schizofreniforme stoornis’ ‘waanstoornis’ of ‘psychotische stoornis NAO’.
2. Bipolaire I stoornis, laatste episode hypomaan
A. Momenteel (of zeer recent) in een hypomane episode.
B. Er is eerder ten minste één manische episode of gemengde episode geweest.
C. De stemmingssymptomen veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D. De stemmingsepisodes in criterium A en B zijn niet eerder toe te schrijven aan een ‘schizoaffectieve stoornis’, en zijn niet gesuperponeerd op ‘schizofrenie’, ‘schizofreniforme stoornis’, ‘waanstoornis’, of ‘psychotische stoornis NAO’.
3. Bipolaire I stoornis, laatste episode manisch
A. Momenteel (of zeer recent) in een manische episode.
B. Er is eerder ten minste één depressieve episode, manische episode of gemengde episode geweest.
C. De stemmingsepisodes in criterium A en B zijn niet eerder toe te schrijven aan een ‘schizoaffectieve stoornis’, en zijn niet gesuperponeerd op ‘schizofrenie’, ‘schizofreniforme stoornis’, ‘waanstoornis’, of ‘psychotische stoornis NAO’.
4. Bipolaire I stoornis, laatste episode gemengd
A. Momenteel (of zeer recent) in een gemengde episode.
B. Er is eerder ten minste één depressieve episode, manische episode of gemengde episode geweest.
C. De stemmingsepisodes in criterium A en B zijn niet eerder toe te schrijven aan een ‘schizoaffectieve stoornis’, en zijn niet gesuperponeerd op ‘schizofrenie’, ‘schizofreniforme stoornis’, ‘waanstoornis’, of ‘psychotische stoornis NAO’.
5. Bipolaire I stoornis, laatste episode depressief
A. Momenteel (of zeer recent) in een depressieve periode.
B. Er is eerder ten minste één depressieve episode, manische episode of gemengde episode geweest.
C. De stemmingsepisodes in criterium A en B zijn niet eerder toe te schrijven aan een ‘schizoaffectieve stoornis’, en zijn niet gesuperponeerd op ‘schizofrenie’, ‘schizofreniforme stoornis’, ‘waanstoornis’, of ‘psychotische stoornis NAO’.
6. Bipolaire I stoornis, laatste episode niet-gespecificeerd
A. aan de criteria voor een manische, een hypomane, een gemengde of depressieve episode wordt, uitgezonderd de duur, momenteel (of zeer recent) voldaan.
B. Er is eerder ten minste één depressieve episode, manische episode of gemengde episode geweest.
C. De stemmingssymptomen veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D. De stemmingsepisodes in criterium A en B zijn niet eerder toe te schrijven aan een ‘schizoaffectieve stoornis’, en zijn niet gesuperponeerd op ‘schizofrenie’, ‘schizofreniforme stoornis’, ‘waanstoornis’, of ‘psychotische stoornis NAO’.
E. De stemmingssymptomen in criterium A en B zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel of andere behandeling) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld hyperthyreoïdie).



