Behandeling met medicijnen bij PTSS

In de hersenen zijn verschillende stoffen actief om ervoor te zorgen dat de verschillende gebieden in onze hersenen goed met elkaar communiceren. Deze stoffen worden ook wel ‘neurotransmitters’ of ‘boodschapperstoffen’ genoemd. Neurotransmitters die belangrijk zijn bij het regelen van gevoelens als angst en somberheid zijn serotonine en noradrenaline. Bij de posttraumatische stressstoornis zijn er aanwijzingen dat er sprake is van een verstoord evenwicht van deze stoffen. Er zijn diverse medicijnen die ervoor zorgen dat deze stoffen weer in balans komen. Medicijnen kunnen ervoor zorgen dat de PTSS-klachten een stuk verminderen, maar de klachten verdwijnen meestal niet volledig. Medicijnen worden voorgeschreven door een huisarts of psychiater.

Medicijnen: SSRI’s
Verschillende medicijnen zijn effectief gebleken bij de behandeling van de posttraumatische stressstoornis. De eerste keuze bij de behandeling van de PTSS is een medicijn uit de groep van de SSRI’s (selectieve serotonine heropname remmers). Veertig tot zestig procent van de mensen die last hebben van PTSS hebben baat bij het gebruik van een SSRI. SSRI’s behoren tot een groep medicijnen die ‘antidepressiva’ genoemd worden. Deze naam is een beetje verwarrend, omdat deze middelen net zo sterk tegen angstklachten als tegen depressieve klachten werken. De SSRI’s herstellen een normale activiteit van de neurotransmitter serotonine in de hersenen. Hoewel nog niet heel precies bekend is hoe deze medicijnen werken, wordt aangenomen dat door deze medicijnen de zenuwcellen die serotonine gebruiken minder overprikkeld raken waardoor de angst kan afnemen. De volgende medicijnen behoren tot de groep van de SSRI’s:




Stofnamen Merknamen 
Paroxentine
Citalopram
Sertraline
Fluoxetine
Fluvoxamine
Seroxat
Cipramil
Zoloft
Prozac
Fevarin

De SSRI’s worden door de meeste mensen goed verdragen. Toch kunnen er met name in het begin bijwerkingen optreden. In de eerste weken kan er sprake zijn van misselijkheid, slecht slapen en sufheid of juist rusteloosheid. Deze klachten verdwijnen meestal binnen enkele weken. Klachten die als gevolg van een SSRI op zouden kunnen treden en die meestal niet minder worden als men de SSRI langer gebruikt zijn veranderingen van de eetlust, een vertraagde of versnelde stoelgang, hoofdpijn en seksuele problemen (zoals minder zin in seks hebben, problemen met het krijgen van een erectie of het vochtig worden van de vagina en moeilijker klaarkomen). Indien u last heeft van deze bijwerkingen, bespreek dit dan met uw arts. Deze kan dan kijken wat eraan gedaan kan worden en of bijvoorbeeld de dosering verlaagd kan worden waardoor de bijwerking kan verminderen.

De SSRI’s zijn niet verslavend. Wel kunnen er zogenaamde ‘onttrekkingsverschijnselen’ optreden als de medicijnen te snel worden afgebouwd. Het kan daarbij vooral gaan om duizeligheid, trillen en slecht slapen. Het is dan ook niet goed om in één keer met de medicijnen te stoppen; overlegt u hierover altijd met uw arts. De meeste mensen hebben geen last van onttrekkingsverschijnselen als de medicijnen langzaam worden afgebouwd.

De medicatie wordt langzaam, meestal in een periode van twee weken opgebouwd. SSRI’s werken niet direct. Het duurt een aantal weken voordat de angst gaat verminderen. Hoewel u in de eerste weken soms al een beetje kunt merken dat de angst minder wordt, is bij de meeste mensen pas na twaalf weken gebruik van de streefdosering duidelijk of het medicijn effect heeft op de angstklachten. Indien er voldoende effect is, zal de arts u adviseren om tenminste een jaar met de medicijnen door te gaan. Dit is nodig omdat als u te vroeg stopt, de klachten terug kunnen komen. Soms zal de arts u adviseren om langer dan een jaar met de medicijnen door te gaan.

Indien er na twaalf weken gebruik van de streefdosering onvoldoende effect is, zal de arts meestal voorstellen om de dosering stapsgewijs te verhogen. Na iedere verhoging moet steeds tenminste vier weken worden afgewacht wat het effect van een dosisverhoging is. Indien u het medicijn niet goed verdraagt of u merkt na twaalf weken geen enkel effect, dan zal de arts geen dosisverhoging voorstellen, maar voorstellen een ander medicijn te gaan gebruiken waarvan u naar verwachting minder last zult hebben.

Als u een SSRI gebruikt en dit blijkt geen effect te hebben op uw angstklachten, zal uw arts u voorstellen om een ander SSRI te gaan gebruiken. Dit gaat dan weer op dezelfde manier als bij het eerste middel. Mocht ook dit tweede SSRI geen of onvoldoende effect hebben, dan zal de arts meestal voorstellen om een zogenaamd ‘tricyclisch antidepressivum’ ofwel afgekort ‘TCA’ te gaan gebruiken.

Medicijnen: TCA’s
De tricyclische antidepressiva (TCA’s) zijn middelen die ouder zijn dan de moderne antidepressiva zoals de SSRI’s. Deze middelen worden daarom ook wel ‘klassieke’ antidepressiva genoemd. De TCA’s werken stabiliserend op de boodschapperstoffen serotonine en noradrenaline in de hersenen. De TCA’s die bij de posttraumatische stressstoornis onderzocht zijn en effectief bleken zijn imipramine en amitryptiline (merknaam: Tryptizol, Sarotex). Bij de TCA’s treden regelmatig bijwerkingen op als overmatig transpireren, droge mond, trage stoelgang, slaperigheid en seksuele bijwerkingen (zoals bij de SSRI’s beschreven) op.

Het instellen op TCA’s gaat hetzelfde als bij de SSRI’s. Ook de dosering van TCA’s wordt in een periode van ongeveer twee weken opgebouwd. De streefdosering ligt zowel voor imipramine als voor amitryptiline tussen de 100 en de 150 mg per dag. Het kan voorkomen dat de arts u vraagt om bloed te laten prikken om hiermee nauwkeurig te kunnen kijken of de dosering voor u voldoende is. Twaalf weken nadat u de streefdosering gebruikt, wordt gekeken of het medicijn voldoende effect heeft. Bij voldoende effect adviseert de arts u tenminste een jaar met het medicijn door te gaan. Bij onvoldoende effect zal de dosering stapsgewijs worden verhoogd totdat u een duidelijk effect op de klachten merkt. Indien u echter de medicijnen twaalf weken op de streefdosering heeft gebruikt en u merkt geen enkel effect, dan zal de arts meestal voorstellen om over te stappen op andere medicijnen. De arts zal u uitleg geven over de mogelijkheden.

De arts zal op het moment dat een medicijn niet werkt steeds met u bespreken of u wilt kiezen voor een ander medicijn, of dat u –indien u dit nog niet heeft geprobeerd- liever met een psychologische behandeling wilt starten. De beslisboom aan het eind van deze tekst kan duidelijk maken welke keuzes volgens de richtlijn aanbevolen worden. Aarzel niet om met de behandelaar over de voor- en nadelen van deze keuzes te praten. Het is immers belangrijk dat u de behandeling kiest die het beste bij u past. De behandelaar kan hierover met u meedenken.

Overige medicijnen bij angstklachten: benzodiazepinen
Benzodiazepinen zijn kalmerende medicijnen. Zij verminderen angst en onrust, maar ook veel lichamelijke klachten die het gevolg zijn van angst. Voorbeelden van benzodiazepinen zijn: oxazepam (merknaam: Seresta), diazepam (merknaam: Valium) en alprazolam (merknaam: Xanax). Deze medicijnen werken via de boodschapperstof GABA (gamma-aminoboterzuur) die een angstdempende werking in de hersenen heeft. Hoewel deze medicijnen bij veel andere angststoornissen goed helpen om de angst snel te verminderen, zijn de resultaten bij PTSS minder eenduidig. Bij sommige mensen kunnen deze medicijnen inderdaad helpen om de angst en spanning te verminderen, maar bij andere mensen kunnen de klachten er juist erger door worden. Ook omdat benzodiazepinen in tegenstelling tot de antidepressiva verslavend kunnen zijn, zijn deze middelen volgens de richtlijn meestal geen goede keuze bij PTSS. Benzodiazepinen kunnen als bijwerking sufheid en concentratieproblemen geven.

Medicijnen: zwangerschap en borstvoeding
Tijdens een zwangerschap of tijdens het geven van borstvoeding, zal men over het algemeen liever geen medicatie gebruiken. Geadviseerd wordt om de angstklachten te verminderen door middel van een psychologische behandeling. Indien het echter onvoldoende lukt om de klachten hiermee onder controle te krijgen, dan kunnen medicijnen zeker worden overwogen. Van een aantal medicijnen is bekend dat de risico’s voor het kind laag zijn. Uw arts kan met u de voor- en nadelen bespreken.

Onze partners Nederlandse Studie naar Depressie en AngstNedKAD Silhouet