Behandeling met medicijnen bij OCS

In de hersenen zijn verschillende stoffen actief om ervoor te zorgen dat de verschillende delen van onze hersenen goed met elkaar communiceren. Deze stoffen worden ook wel ‘neurotransmitters’ of ‘boodschapperstoffen’ genoemd. Een neurotransmitters die belangrijk is bij het regelen van gevoelens als angst en somberheid is serotonine. Bij de obsessieve-compulsieve stoornis zijn er aanwijzingen dat er sprake is van een verstoord evenwicht van serotonine. Er zijn diverse medicijnen die ervoor zorgen dat deze stof weer in balans komt. Medicijnen worden voorgeschreven door een huisarts of psychiater.

Medicijnen: SSRI’s
Verschillende medicijnen zijn effectief gebleken bij de behandeling van de obsessieve-compulsieve stoornis. De eerste keuze bij de behandeling van de obsessieve-compulsieve stoornis is een medicijn uit de groep van de zogenaamde SSRI’s (selectieve serotonine heropname remmers). SSRI’s behoren tot een groep medicijnen die ‘antidepressiva’ genoemd worden. Deze naam is een beetje verwarrend, omdat deze middelen net zo sterk tegen angstklachten als tegen depressieve klachten werken. De SSRI’s herstellen een normale activiteit van de neurotransmitter serotonine in de hersenen. Hoewel nog niet heel precies bekend is hoe deze medicijnen werken, wordt aangenomen dat door deze medicijnen de zenuwcellen die serotonine gebruiken minder overprikkeld raken waardoor de angst kan afnemen. De zenuwcellen kunnen zo beter werken. De volgende medicijnen behoren tot de groep van de SSRI’s:


Stofnamen Merknamen
Paroxentine Seroxat
Citalopram Cipramil
Sertraline Zoloft
Fluoxetine Prozac
Fluvoxamine Fevarin

De SSRI’s worden door de meeste mensen goed verdragen. Toch kunnen er met name in het begin bijwerkingen optreden. In de eerste weken kan er sprake zijn van misselijkheid, slecht slapen en sufheid of juist rusteloosheid. Deze klachten verdwijnen meestal binnen enkele weken. Klachten die als gevolg van gebruik van een SSRI op zouden kunnen treden en die meestal niet minder worden als men de SSRI langer gebruikt zijn veranderingen van de eetlust, een vertraagde of versnelde stoelgang, hoofdpijn en seksuele problemen (zoals minder zin in seks hebben, problemen met het krijgen van een erectie of het vochtig worden van de vagina en moeilijker klaarkomen). Indien u last van deze bijwerkingen heeft, bespreek dit dan met uw arts. Deze kan dan kijken wat eraan gedaan kan worden en of bijvoorbeeld de dosering verlaagd kan worden waardoor de bijwerking kan verminderen.

De SSRI’s zijn niet verslavend. Wel kunnen er zogenaamde ‘onttrekkingsverschijnselen’ optreden als de medicijnen te snel worden afgebouwd. Het kan daarbij vooral gaan om duizeligheid, trillen en slecht slapen. Het is dan ook niet goed om in één keer met de medicijnen te stoppen; overlegt u hierover altijd met de arts. De meeste mensen hebben geen last van onttrekkingsverschijnselen als de medicijnen langzaam worden afgebouwd.

De medicatie wordt geleidelijk opgebouwd. Het medicijn wordt eerst vijf weken volgens de startdosering voorgeschreven. Voor paroxetine, citalopram en fluoxetine is dit een dosering van 20 mg per dag, voor sertraline en fluvoxamine een dosering van 50 mg per dag. Indien nodig wordt de dosering daarna verder verhoogd. SSRI’s werken niet direct. Het duurt een aantal weken voordat de klachten verminderen. Hoewel u in de eerste weken soms al een beetje kunt merken dat de angst minder wordt, is bij de meeste mensen pas twaalf weken nadat ze gestart zijn met het gebruik van het medicijn te beoordelen wat het resultaat is. Indien er voldoende effect is, zal de arts u adviseren om langere tijd met de medicijnen door te gaan. Dit is nodig omdat bij stoppen van de medicijnen, de klachten vaak terugkomen (indien u niet met succes een psychologische behandeling heeft gevolgd). Het is nog onvoldoende bekend hoe lang men het beste met de medicatie door kan gaan. Uw arts zal hierbij een aantal factoren laten meewegen, bijvoorbeeld hoe ernstig de klachten bij het begin van de behandeling waren, hoeveel last u nu nog heeft van de dwangklachten en ook of u door een psychologische methode heeft geleerd om met de dwangklachten om te gaan. Indien u alleen een behandeling met medicijnen heeft gekregen en geen psychologische behandeling (met succes) heeft gevolgd, dan kan het zijn dat de arts u adviseert om zeer langdurig en mogelijk zelfs levenslang met de medicijnen door te gaan. Daarbij is het goed om te kijken wat de laagste dosering is van het medicijn dat bij uw klachten effectief is, zodat u in ieder geval niet onnodig veel medicijnen gebruikt.

Als u een SSRI gebruikt en dit blijkt na twaalf weken onvoldoende effect te hebben op uw angstklachten, dan zal uw arts u voorstellen om een ander SSRI te gaan gebruiken. Dit gaat dan weer op dezelfde manier als bij het eerste middel. Mocht ook dit tweede SSRI geen of onvoldoende effect hebben, en er heeft ook een psychologische vorm van behandeling plaatsgevonden dan zal de arts meestal voorstellen om naast de SSRI ook een zogenaamd ‘atypisch antipsychoticum’ (zie onder) te gaan gebruiken.

Medicijnen: atypische antipsychotica
Zoals de naam al zegt worden antipsychotische medicijnen gebruikt om psychoses te behandelen. Een psychose is een toestand waarbij iemand gedachten of belevingen heeft die niet kloppen met de realiteit. Dit is bij de obsessieve-compulsieve stoornis niet het geval. Iemand met een dwangstoornis heeft wel gedachten en angsten die andere mensen overdreven vinden, maar dat beseft hij of zij zelf ook. Mensen met een dwangstoornis weten wel dat ze zich te veel zorgen maken, maar kunnen dit niet goed stoppen. Een obsessieve-compulsieve stoornis heeft dus niets met een psychose te maken. Toch is uit onderzoek gebleken dat een lage dosering van antipsychotica kan helpen om angsten en dwanggedachten te verminderen. Een deel van de mensen die geen effect bemerkte bij het gebruik van een SSRI, verbeterde alsnog na het toevoegen van een lage dosering antipsychotica. Ook als iemand onvoldoende effect bemerkte bij gebruik van clomipramine (zie onder), dan kan een lage dosering antipsychotica worden toegevoegd.

Als er een behandeling met één van de antipsychotica gestart wordt, wordt meestal gekozen voor de zogenaamde ‘atypische’ antipsychotica. Dit zijn antipsychotica die –in tegenstelling tot de gewone of klassieke antipsychotica- weinig bijwerkingen hebben op de beweging van de spieren, zoals spierstijfheid en trillen. De eerste keuze is risperidon (merknaam: Risperdal). De dosering wordt langzaam opgebouwd naar 2 tot 3 mg per dag. Hierna moet twaalf weken worden afgewacht wat het resultaat hiervan is. Indien er duidelijk effect is van het toevoegen van risperidon, dan wordt geadviseerd dit langere tijd (zie onder SSRI’s) te blijven gebruiken. Indien er niet of nauwelijks effect is, wordt meestal geadviseerd om zowel het SSRI als risperidon af te bouwen en –indien u dat nog niet gebruikt had- te starten met clomipramine. Indien clomipramine onvoldoende effect blijkt te hebben, dan kan opnieuw risperidon worden toegevoegd. (zie ook het beslisboom achterin de folder).

Als bijwerkingen van risperidon kunnen onder andere slapeloosheid, onrust, gewichtstoename, slaperigheid overdag en seksuele klachten (zoals genoemd bij de SSRI’s) voorkomen.

Medicijnen: TCA: clomipramine
Clomipramine is een antidepressivum uit de groep van de zogenaamde TCA’s (Tricyclische antidepressiva). De TCA’s zijn middelen die ouder zijn dan de moderne antidepressiva zoals de SSRI’s. De TCA’s werken stabiliserend op de boodschapperstoffen serotonine en noradrenaline in de hersenen. Bij de obsessieve-compulsieve stoornis blijkt de TCA clomipramine (merknaam: Anafranil) effectief. Clomipramine kan bijwerkingen geven als overmatig transpireren, droge mond, trage stoelgang en slaperigheid. Ook komen seksuele bijwerkingen (zoals bij de SSRI’s beschreven) regelmatig voor. De dosering van clomipramine wordt in een periode van ongeveer twee weken opgebouwd naar de streefdosering van 150 mg per dag. Vijf weken nadat u de deze streefdosering gebruikt, wordt gekeken of het medicijn voldoende effect heeft. Bij voldoende effect adviseert de arts u om langere tijd (zie onder SSRI’s) met het medicijn door te gaan. Bij onvoldoende effect zal –mits u het medicijn goed verdraagt- de dosering verhoogd worden. Indien u ook op de maximale dosering van het medicijn na twaalf weken (na de start met clomipramine) onvoldoende verbetering merkt, dan bespreekt de arts de mogelijkheid om naast de clomipramine ook een antipsychoticum te gaan gebruiken.

Het stroomschema op de volgende bladzijde kan duidelijk maken welke keuzes volgens de richtlijn geadviseerd worden. Aarzel niet om met de behandelaar over de voor- en nadelen van deze keuzes te praten. Het is immers belangrijk dat u de behandeling kiest die het beste bij u past. De behandelaar kan hierover met u meedenken.

Medicijnen: zwangerschap en borstvoeding
Tijdens een zwangerschap of tijdens het geven van borstvoeding, zal men over het algemeen liever geen medicatie voorschrijven. Geadviseerd wordt om de angstklachten te verminderen door middel van een psychologische behandeling. Indien het echter onvoldoende lukt om de klachten hiermee onder controle te krijgen, dan kunnen medicijnen zeker worden overwogen. Van een aantal medicijnen is bekend dat de risico’s voor het kind laag zijn. Uw arts kan met u de voor- en nadelen bespreken.

Onze partners Nederlandse Studie naar Depressie en AngstNedKAD Silhouet