Diagnostiek Angststoornissen

Het diagnostisch proces dat wordt toegepast bij angststoornissen wordt vertaald in een viertal uitgangsvragen, die relevantie hebben voor de verschillende in de praktijk werkzame hulpverleners. De uitgangsvragen zijn: Welke angststoornissen kan men onderscheiden en welk onderscheid heeft relevantie voor de klinische praktijk? Wat zijn de gevolgen van angststoornissen voor het functioneren in levensgebieden? Welk diagnostisch instrumentarium is beschikbaar in de verschillende settingen om zowel de verschillende niveaus en vormen van angststoornissen vast te stellen, als de factoren op te sporen die het ontstaan, voortbestaan, verdwijnen en terugkomen van angststoornissen bepalen.

‘Diagnostiek’ is niet ‘een eenmalige vaststelling’, maar een herhaalde activiteit die leidt tot werkhypothesen waar steeds weer nieuwe -diagnostische- informatie aan toegevoegd kan worden die vervolgens weer kan leiden tot aanpassing van het behandelplan.

Hoewel in het dagelijkse spraakgebruik de term ‘angst’ meestal betrekking heeft op een gevoel heeft de term ‘angst’ in de wetenschappelijke literatuur betrekking op verschillende aspecten: het subjectieve gevoel van angst; gedachten rond gevaar; lichamelijke veranderingen zoals een versnelde hartslag en motorische activiteit zoals wegvluchten of om hulp roepen. Vaak is angst een nuttige emotie omdat angst een reactie is op dreiging en een anticipatie op gevaar. Angst helpt dan om tot relevante handelingen over te gaan. Het onderscheid tussen normale/nuttige en abnormale angst heeft niet te maken met de aard van de reacties, maar met het feit dat de angstreacties optreden terwijl er objectief gezien geen gevaar dreigt. In de twee meest gebruikte classificatiesystemen voor psychische stoornissen (de DSM-IV van de American Psychiatric Association en de ICD-10 van de World Health Organisation) is het gemeenschappelijk kenmerk van de groep van angststoornissen dat er sprake is van angstige reacties die bovenmatig zijn doordat de persoon angst vertoont in de afwezigheid van gevaar of de mate van angst in geen verhouding staat tot de mate van reëel gevaar. Hiernaast is van belang dat deze angstige reacties de persoon hinderen in zijn sociaal of beroepsmatig functioneren. De in de ICD-10 onder de rubriek neurotische, stressgerelateerde en somatoforme stoornissen genoemde angststoornissen komen sterk overeen met de in de DSM-IV onderscheiden angststoornissen. De indeling in de DSM-IV is in deze richtlijn als uitgangspunt genomen. In de DSM-IV worden de volgende angststoornissen onderscheiden:

  • paniekstoornis met en zonder agorafobie (PS)
  • sociale fobie (SF)
  • enkelvoudige fobie (EF)
  • obsessief-compulsieve stoornis (dwangstoornis) (OCS)
  • gegeneraliseerde angststoornis (GAS)
  • posttraumatische stressstoornis (PTSS)
  • acute stressstoornis (ASS)
  • angststoornis ten gevolge van een algemene lichamelijke aandoening

  • angststoornis ten gevolge van middelengebruik

De laatste drie ‘nieuwe’ angststoornissen in de DSM-IV zullen op deze website niet aan bod komen. De acute stressstoornis (ASS) komt grotendeels overeen met de posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het grootste verschil met PTSS is het tijdscriterium: wanneer de symptomen korter duren dan één maand dan is er sprake van ASS.

'Bron': Multidisciplinaire Richtlijn Angststoornissen 2003

Indien u de gehele diagnostiek wilt downloaden: Diagnostiek Angststoornissen (pdf, 73Kb)

 << Terug  |  Volgende >>